Heilig boontje, het ultieme kookboek over peulvruchten
Bonen, erwten, linzen en co. spelen de hoofdrol in Heilig Boontje, het nieuwe kookboek van Joeri Veul. En dat is geen overbodige luxe, want laten we eerlijk zijn: in onze…
Peulvruchten krijgen in onze streken nog altijd veel te weinig aandacht. Gemiddeld eten we er amper twee keer per maand van – dat is minder dan één blik boontjes per persoon. Zonde, want peulvruchten zijn duurzaam, goedkoop, veelzijdig én supergezond.
Wereldwijd zijn ze al duizenden jaren onmisbaar in de keuken, en stilaan winnen ze ook bij ons terrein. Terecht: ze verdienen een vaste plek op ons bord.
Je kan ze grofweg op twee manieren indelen:
Vanaf hier duiken we dieper in de bekendste peulvruchten, hun oorsprong en welke plaats ze in onze eetcultuur innemen.
Linzen zijn waarschijnlijk één van de oudste gecultiveerde gewassen. Hun roots liggen in Oost-Turkije, Noord-Irak en Syrië. De oudste sporen van gekookte linzen dateren van 11.000 jaar geleden in Griekenland en 9.000 à 8.000 jaar geleden in Syrië. Of dat toen nog de wilde voorouder (Lens orientalis) was of al de gedomesticeerde Lens culinaris, weten we niet zeker. Rond 5500 v.Chr. waren ze in elk geval volop in landbouwdorpen aanwezig, verspreid over heel Europa.
Toch duurde het verrassend lang voor linzen écht populair werden. In middeleeuwse kookboeken uit Frankrijk en Engeland kom je ze amper tegen. Waarom? Een paar mogelijke redenen:
Zelfs in Zuid-Europa hadden linzen een slechte reputatie. Al sinds Galenus (2e eeuw) stonden ze geboekstaafd als “onheilzaam”, en die stempel bleef eeuwenlang hangen.
Pas in de 16e eeuw begonnen linzen langzaam op te duiken in recepten – vaak nog altijd als alternatief voor andere peulvruchten. Ze werden dus eerder met tegenzin geaccepteerd, en vreemd genoeg vooral in de kringen van fijnproevers.
Hoe ironisch is het dan dat linzen vandaag helemaal zijn opgewaardeerd tot luxeproduct? Denk aan de kleine groene Puy-linzen of de zwarte beluga-linzen. Vooral die laatste worden geliefd om hun bijna kaviaarachtige textuur – ze lijken bij het kauwen zelfs een beetje te “knappen” op je gehemelte.
De tuinboon – ook bekend als labboon, veldboon of Roomse boon – is een indrukwekkende verschijning. Het is de grootste van alle bonen, met stevige stengels die geen steun nodig hebben en peulen die vanbinnen zacht en donzig zijn, alsof de bonen in een zacht bedje liggen.
Je kan tuinbonen op verschillende manieren eten:
Wat de tuinboon bijzonder maakt, is zijn flexibiliteit. Het is één van de weinige bonen die vorst kan verdragen. Daardoor is hij geschikt voor zowel Noord-Europa als het droge Midden-Oosten en Afrika. Dat verklaart meteen waarom hij eeuwenlang bijna overal een belangrijk voedingsgewas was.
Tot de ontdekking van de Nieuwe Wereldbonen (na 1492) was de tuinboon zelfs dé boon in Europa. Het woord “boon” verwees simpelweg naar Vicia faba.
Ze horen technisch gezien gewoon bij de bonenfamilie, maar hebben altijd een betere reputatie gehad. Misschien omdat we ze vaak jong en groen eten – fris en zoet – en dus niet associëren met de “boon van de armen”. Gedroogd kom je ze ook tegen, bijvoorbeeld als gele spliterwt in Quebec of in traditionele Scandinavische gerechten.
Vanaf het prille begin van de landbouw stonden erwten al op het menu, samen met linzen. Ze bleken verrassend flexibel en hebben zich verspreid over bijna de hele wereld. Waar bonen vaak als zwaar of boertig werden gezien, ontsnapten erwten handig aan dat stigma.
Traditioneel werden ze vooral gedroogd gegeten, vaak wit of geel, heel of gesplitst, en tot moes gekookt. Misschien precies daarom voelen ze culinair “anders” aan dan gewone bonen.
Net als erwten wisten ook kikkererwten de slechte reputatie van bonen te omzeilen. Toch zijn ze geen “echte” erwten – eerder bonen in vermomming. Ze dragen vele namen: cicer in het Latijn, garbanzo in Spanje, en hummus in het Arabisch.
Hun oorsprong ligt in Mesopotamië. Kleine wilde varianten werden al 10.000 jaar geleden gevonden in Turkije en Syrië. In de Bronstijd waren ze al groter en volledig gedomesticeerd, en verspreidden ze zich naar Griekenland, Israël, Jordanië, later naar Afrika en India. In Noord-Europa bleven kikkererwten vrij onbekend: ze houden niet van kou.
Tijdens de klassieke oudheid werden ze vaak als snack gegeten bij drankjes. Vandaag zijn ze vooral bekend als hoofdingrediënt van hummus en falafel. Maar ook in stoofpotten doen ze het geweldig, en wie wil experimenteren, probeert eens brownies met kikkererwten – glutenvrij én verrassend lekker.
De duivenerwt vindt zijn oorsprong waarschijnlijk in India. Daar kennen ze haar in gespleten vorm als toor dal: langzaam gekookt met kruiden tot een romige, geurige massa. Vanuit India verspreidde de boon zich naar droge tropische gebieden, waar gewone erwten minder goed groeien – denk aan Oost-Afrika of de Dominicaanse Republiek (waar ze via de slavenhandel terechtkwamen).
Qua smaak werkt ze perfect in combinatie met verse kruiden en een soffrito van ui, knoflook, chilipeper en koriander.
Tegenwoordig kennen we lupinen vooral als mooie eenjarige bloemen in de tuin. Maar vroeger waren ze ook gewoon voedsel – al gold dat vooral in tijden van nood. De meeste lupinen zijn namelijk giftig en werden daarom vaak als dierenvoer gebruikt.
De eetbare Zuid-Europese varianten – Lupinus albus (wit), Lupinus luteus (geel) en Lupinus angustifolius (blauw) – vereisen flink wat voorbereiding. Door weken en meerdere keren spoelen verdwijnen de bittere alkaloïden, waarna ze veilig te eten zijn. Met meer dan 40% eiwit zijn ze een echte krachtpatser, die qua voedingswaarde zelfs vlees kan evenaren.
Vroeger stonden lupinen hoog op het lijstje van asceten, heremieten en filosofen die hun lichaam wilden tarten: bittere bonen, hard werk, gevolgd door een eventuele spirituele beloning. Niet bepaald een alledaags peulvruchtje dus.
In de Andes doen ze het heel anders: Lupinus mutabilis, ook bekend als tarwi, groeit op grote hoogte, is voedzaam en rijk aan lysine. Daar wordt hij volop gegeten in soepjes, stoofpotten, puddingen of als broodverbeteraar. Zelfs hier geldt: een beetje geduld want weken is nodig om de toxines eruit te krijgen.
Het potentieel van lupinen is enorm. Zoete variëteiten met weinig bitterstoffen zouden op termijn soja kunnen uitdagen als eiwitbron. Kortom, een excentrieke boon met een rijke geschiedenis én een veelbelovende toekomst.
In Azië en Afrika vind je een kleurrijk scala aan peulvruchten die bij ons minder bekend zijn, maar in hun regio’s onmisbaar.
Deze bonen zijn vaak klein, gemakkelijk te bereiden en verkrijgbaar in heel wat vormen: heel of gesplitst (dal).
Wist je dat taugé helemaal geen sojabonen maar gekiemde mungbonen zijn?
Deze bonen zijn een stukje geschiedenis en cultuur in één: voedzaam, veelzijdig en een essentieel onderdeel van vele traditionele gerechten.
De meeste bonen die je hier in blik of gedroogd koopt zijn varianten van Phaseolus vulgaris. Denk aan witte cannellini, limabonen, gevlekte pintobonen (borlotti), rode kidneybonen, zwarte bonen of groene flageolets. Zelfs verse sperziebonen horen bij deze soort.
Oorspronkelijk groeiden de wilde voorouders van deze bonen van Noord-Mexico tot Argentinië. Ze werden onafhankelijk van elkaar gedomesticeerd in Peru en Mexico, waardoor er zoveel vormen, kleuren en smaken zijn.
Samen met maïs en pompoen vormden ze de beroemde “drie-zusters”:
Een slimme combinatie van gewassen, die al eeuwenlang een compleet, voedzaam en duurzaam dieet oplevert. Voeg er af en toe wat tomaten, chilipepers of vlees aan toe en je hebt een maaltijd die weinig te wensen overlaat.
Niet alle bonen gedragen zich netjes. Sommige behoren tot de bonenfamilie, maar worden liever vermeden of alleen in uiterste nood gegeten. We spreken hier van de schurken.
Andere exotische bonen in deze categorie zijn bijvoorbeeld de Jackboon, de Calabarboon (gebruikt in Afrika om hekserij te testen) en de fluweelboon in India, die na speciale bereiding eetbaar is.
Sommige peulvruchten doen helemaal niet alsof ze bonen zijn, maar behoren er toch toe:
Daarnaast zijn er talloze peulvruchten die alleen in hun oorspronkelijke habitat bekend zijn en nooit commercieel geteeld zijn. Sommige zijn zelfs grote bomen, zoals Acacia of de tonkaboon (Dipteryx odorata).
Image by Freepik
